Dichterschap en zelfbesef in de vroegmoderne tijd. De representatie van het stedelijke individu in Eduard de Dene’s Testament Rhetoricael

postdoctoraal onderzoeksproject FWO-Vlaanderen 2010-2013
uitvoerder: Dr. Samuel Mareel
promotor: Prof. dr. Jürgen Pieters

1. Probleem- en doelstelling
Dit project wil het Testament Rhetoricael (1561) van de Brugse dichter Eduard de Dene (1505-tussen 1576 en 1579) lezen als een representatie van het zelfbesef en de individualiteit van de auteur ervan.

In zijn Testament, een autograaf, verzamelde De Dene meer dan 300 van zijn gedichten. Hij had de meerderheid van deze teksten geschreven als lid van de Brugse rederijkerskamer De Drie Santinnen, een literair amateurgezelschap. De bestaande gedichten werden tot een nieuw betekenisvol geheel samengebracht door middel van autobiografisch gekleurde verzen waarin de auteur zijn literaire composities legateert aan een groot aantal begunstigden. Het gros daarvan kan worden gesitueerd in de Brugse stedelijke context, zoals religieuze instellingen, collega-rederijkers, broederschappen, zijn vrouw en kinderen en de geestelijke en wereldlijke overheden.

Buitentekstuele bronnen bevestigen de historiciteit en het autobiografische karakter van het Testament. Toch wordt een interpretatie van de collectie als ‘egodocument’ voor de hedendaagse lezer door een aantal vormelijke en inhoudelijke factoren bemoeilijkt. De Dene gebruikte zowel voor het algemene raamwerk van het literaire testament als voor de individuele gedichten namelijk heel gestandaardiseerde genres. Een ‘individualiserende’ interpretatie vereist dus een grondig inzicht in de literaire conventies van de tekst. Wat De Denes zelfrepresentatie betreft, is er niet alleen de zestiende-eeuwse ervaring van het ‘zelf’ die sterk verschilde van de onze, maar ook de disparate en indirecte manier waarop de auteur over zichzelf spreekt.

Tijdens mijn eenjarig verblijf in 2009 met een Rubiconsubsidie aan de Rijksuniversiteit Groningen zal ik De Denes individualiteit onderzoeken in relatie tot enkele genrematige aspecten van het Testament, in het bijzonder het in verschillende Europese talen beoefende literaire testament. Met het huidige project wil ik tot een beter begrip komen van de collectie als de weerspiegeling van een vroegmodern zelfbesef door haar als literaire compositie te confronteren met drie theorieën, afkomstig uit de literatuurwetenschap, de geschiedenis en de filosofie, over het ‘zelf’.

2. Methodologie en onderzoeksvragen
Binnen de grote hoeveelheid secundaire literatuur over het ‘zelf’ zijn drie theorieën in het bijzonder relevant voor het Testament. Ze sluiten namelijk aan bij even veel prominente inhoudelijke componenten van De Denes collectie. Toegepast op het Testament roepen deze theorieën een aantal specifieke vragen op en nodigen uit tot contextualisering, vergelijking met andere literaire teksten en met de beeldende kunsten.

2.1 Het relationele ‘zelf’ en de stedelijke context
Als reactie op Burckhardts stelling over de geboorte van het ‘spirituele individu’ tijdens de Renaissance hebben literatuurhistorici en historici recent sterk de nadruk gelegd op de collectieve dimensie van het vroegmoderne zelfbesef. Er is overtuigend aangetoond dat het

‘zelf’ niet als een autonoom natuurlijk gegeven werd ervaren maar als een product van sociale en culturele verhoudingen (Mascuch 1996, Reiss 2003, Martin 2004). Iemands zelfbeeld was sterk bepaald door de mensen met wie hij/zij omging en door de sociale en professionele structuren waarbinnen hij/zij functioneerde.

Door de, hoofdzakelijk in de stad te situeren, legatarissen van zijn gedichten te noemen, creërde De Dene een gedetailleerde beschrijving van de relationele samenstelling van zijn ‘zelf’. Aan de hand van deze informatie wil ik het belang van verschillende soorten personen en instellingen tegen elkaar afwegen en de betekenis nagaan van bijvoorbeeld de private ten opzichte van de publieke en van de wereldlijke ten opzichte van de geestelijke sfeer. Door de gedichten te lezen in relatie tot hun virtuele ontvangers wil ik bovendien inzicht krijgen in de aard van de verhouding van de auteur tot deze stedelijke context: hoe en in welke mate is de representatie van zijn zelfbeeld er inderdaad door bepaald?; bevestigt het geval De Dene het bestaan van een in recente studies (Pleij 1988; Van Bruaene 2008) geponeerde stedelijke identiteit?

2.2 Het flexibele ‘zelf’ en de grote culturele, religieuze en politieke veranderingen
Zestiende-eeuwse teksten drukken vaak het idee uit dat iemands identiteit niet statisch en stabiel is maar buigzaam en daardoor onderhevig aan beweging en verandering (Greene 1968). Erasmus, bijvoorbeeld, meende dat ‘Homines non nascuntur, sed finguntur’ en Montaigne dat ‘Moy à cette heure et moy tantost, sommes bien deux’. Een van de belangrijkste oorzaken voor deze instabiliteit is de confrontatie met het nieuwe en het andere (‘alterity’) (Hampton 1993). Deze verplichten het individu om het voordien onbekende te integreren en zichzelf permanent te herdefiniëren.

Uitgaande van de notie van het flexibele ‘zelf’ zal het huidige project de invloed onderzoeken in het Testament van enkele grote veranderingen in de zestiende-eeuwse Nederlanden, in het bijzonder de Reformatie, het Humanisme en het alsmaar uitdijende Bourgondisch-Habsburgse rijk en de consolidatie van een Bourgondische staat in de Nederlanden. Ik zal daarvoor op zoek gaan naar sporen van de nieuwe opvattingen over de mens en over geloof en religieuze beleving in De Denes zelfrepresentatie en zijn sterk uitgesproken gevoel van burgerschap van Brugge confronteren met zijn even duidelijk aanwezige loyauteit ten opzichte van de expansieve en consoliderende Bourgondische politiek.

2.3 Het morele ‘zelf’ en de morele orde
Net als vele andere rederijkersteksten vertoont het Testament een uitgesproken besef van goed en kwaad. Als derde invalshoek op De Denes zelfrepresentatie zal het project daarom het verband nagaan van dit morele karakter van de collectie met het zelfbesef van de auteur. Het theoretische kader hiervoor zal worden ontleend aan de filosoof Charles Taylor. In Sources of the Self stelt Taylor dat de identiteit van het individu deels bepaald wordt door het feit dat het in een morele orde leeft waartegen het zich positioneert (Taylor 1989, p. 3-107; vgl. Parker 2007). Het is niet mogelijk om iedere morele implicatie van De Denes verzameling te behandelen. Ik zal mij daarom beperken tot het thema van de zeven hoofdzonden, dat het ordeningsprincipe vormt van de hele tweede helft van het Testament. Door De Denes voorstelling van de zeven hoofdzonden te vergelijken met eigentijdse tekstuele en visuele voorstellingen van het thema, zoals de wijdverspreide verzamelingen met exempla en Brueghels beroemde prentenreeks, wil ik tot een beter begrip komen van het morele ‘zelf’ van de auteur en van de morele orde waartoe het zich verhield.

3. Literatuur

  • Berger, H, Jr., Fictions of the Pose. Rembrandt Against the Italian Renaissance. Stanford 2000.
  • Burke, P., ‘Representations of the self from Petrarch to Descartes’, in: R. Porter (ed.), Rewriting the Self: Histories from the Renaissance to the Present, London 1997, p. 17- 28.
  • Cerquiglini-Toulet, J., L’écriture testamentaire à la fin du Moyen Age : identité, dispersion, trace. Oxford 1999.
  • Coigneau, ‘Een Brugse Villon of Rabelais? Eduard de Dene en zijn Testament Rhetoricael (1561)’, in: B. Ramakers (ed.), Conformisten en rebellen. Rederijkerscultuur in de Nederlanden (1400-1600). Amsterdam 2003, p. 198-211.
  • Coleman, P., J. Lewis & J. Kowalik, eds., Representations of the Self from the Renaissance to Romanticism. Cambridge 2000.
  • Connell, W.J. (ed.), Society & Individual in Renaissance Florence. Berkeley 2002. Dekker, R. (ed.), Egodocuments in History. Autobiographical Writing, Personal Identity and Social Environment in Europe, 1000-1900. Hilversum 2002.
  • Geirnaert, D., ‘Imitating Rabelais in Sixteenth-Century Flanders: the Case of Eduard de Dene’, in: P. Smith, (ed.), Éditer et traduire Rabelais à travers les âges. Amsterdam/Atlanta, 1997, p. 66-95.
  • Greenblatt, S., Renaissance self-fashioning: from More to Shakespeare. Chicago 1980.
  • Greene, Th., ‘The Flexibility of the Self in Renaissance Literature’, in: Demetz, P., Th.Greene & L. Nelson, Jr. (eds.), The Disciplines of criticism; essays in literary theory, interpretation, and history. New Haven 1968, p. 241-264.
  • Hampton, T., ‘’Turkish Dogs’: Rabelais, Erasmus, and the Rhetoric of Alterity’, in: Representations 41 (1993), p. 58-82.
  • Hampton, T., Literature and Nation in the Sixteenth Century: Inventing Renaissance France. Ithaca/London 2000.
  • Howard, J.E., ‘Textualizing an Urban Life. The Case of Isabella Whitney’, in : R.Bedford, L. Davis & P. Kelly (eds.), Early modern autobiography : theories, genres, practices. Ann Arbor 2006, p. 217-233.
  • Martin, J. J., ‘Inventing Sincerity, Refashioning Prudence: The Discovery of the Individual in Renaissance Europe’, in: The American Historical Review 102 (1997), p.1309-1342.
  • Martin, J. J., Myths of Renaissance individualism. Basingstoke 2004.
  • Mascuch, M., Origins of the Individualist Self: Autobiographical Practice and Self-Identity in England, 1591-1791. Stanford 1996.
  • Parker, D., The self in moral space : life narrative and the good. Ithaca 2007.
  • Pleij, H., De sneeuwpoppen van 1511: literatuur en stadscultuur tussen middeleeuwen en moderne tijd. Amsterdam 1988.
  • Reiss, T.J., Mirages of the Selfe: Patterns of Personhood in Ancient and Early Modern Europe. Stanford 2003.
  • Schmolinsky, S., ‘Selbstzeugnisse finden oder: Zur Überlieferung erinnerter Erfahrung im Mittelalter’, in: R. Suntrup & J. R. Veenstra (eds.), Self-fashioning / Personen(selbst)darstellung. Frankfurt am Main 2003, p. 23-49.
  • Taylor, Ch., Sources of the Self: The Making of the Modern Identity. Cambridge, Mass. 1989.
  • Van Bruaene, A.-L., Om beters wille : rederijkerskamers en de stedelijke cultuur in de Zuidelijke Nederlanden (1400-1650). Amsterdam 2008.
  • Waterschoot, W. & D. Coigneau, ‘Eduard de Dene, Testament Rhetoricael’, in Jaarboek De Fonteine 26 (1975), 28 (1976-1977), 30 (1978-1979).